Organisatie 1977 - 1982

Oprichtingsvergadering CDA, 11 oktober 1980.
Oprichtingsvergadering CDA, 11 oktober 1980.

Voor het CDA stonden de jaren 1977-1982 in het teken van de opbouw van de nieuwe partijorganisatie. In 1975 keurden ARP, CHU en KVP de statuten goed waarmee het CDA als federatie werd opgericht; daarna stelde het eerste partijcongres het huishoudelijke reglement vast. De leden van ARP, CHU en KVP werden automatisch lid, maar omdat het CDA meer wilde zijn dan de optelsom van de drie deelnemende partijen, werd het mogelijk om ‘rechtstreeks lid’ te worden. Bij de totstandkoming van de federatie in 1975 waren dat er 300; vlak voor de fusie op 11 oktober 1980 circa 30.000. Onder de ongeveer 162.000 leden die het CDA toen telde waren 19.000 ‘dubbelleden’. Dat waren leden van de drie partijen die rechtstreeks CDA-lid waren geworden, als blijk van instemming met het eenwordingsproces. Het CDA ging dus met zo’n 143.000 leden van start, maar groeide snel tot ruim 152.000 in 1982.

In 1977 nam het CDA voor het eerst met een één program en één kandidatenlijst deel aan de Tweede Kamerverkiezingen. Met een computer werd een verdeelsleutel opgesteld om de plaatsen op de kandidatenlijst eerlijk te verdelen over ARP, CHU, KVP en rechtstreekse leden. In november 1977 werd de nota Het CDA en zijn organisatie vastgesteld, waarin de route van federatie naar fusie werd uitgestippeld. CDA-voorzitter Piet Steenkamp noemde als fusiedatum 1 juni 1980, het werd uiteindelijk 11 oktober. De nieuwe partij had toen al een vrouwenorganisatie (het in 1973 opgerichte CDA Vrouwenberaad; CDAV), een wetenschappelijk bureau (de in 1977 gevormde Stichting Studiecentrum CDA, die in 1981 de naam Wetenschappelijk Instituut voor het CDA kreeg) en sinds 1978 de Vereniging van christen-democratische gemeente- en provinciebestuurders (beter bekend als CDA Bestuurdersvereniging). Op de fusiedatum kwam daar de Stichting Kader- en vormingswerk CDA bij (in 1990 omgedoopt tot Steenkamp Instituut). In 1981 volgde de jongerenorganisatie het Christen Democratisch Jongeren Appel (CDJA). 

Basis van de nieuwe partijorganisatie – die sterk was geënt op de structuur van de ARP – waren de afdelingen in de gemeenten. Binnen een van de achttien Kamerkieskringen die Nederland toen volgens de Kieswet kende vormden die een Kamerkring, en binnen een provincie een provinciale afdeling (met het oog op de Provinciale Statenverkiezingen). De Kamerkringen waren vertegenwoordigd in het partijbestuur, evenals het CDJA en het Vrouwenberaad. Verder maakten van dit orgaan tien door de partijraad aangewezen leden deel uit, alsmede de partijvoorzitter en twee ondervoorzitters. Deze laatste drie vormden met een aantal partijbestuursleden het dagelijks bestuur, en samen met de penningmeester en de partijsecretaris het presidium. Bij deze twee partijorganen lag de dagelijkse leiding van het CDA. Het belangrijkste gremium was de partijraad, die bestond uit het partijbestuur en vertegenwoordigers van de Kamerkringen, de nevenorganisaties en enkele partijcommissies. De partijraad vergaderde jaarlijks minstens twee keer en stelde onder meer het verkiezingsprogramma en de politieke lijn vast. Het congres kwam ten minste één keer in de twee jaar bijeen en was hoofdzakelijk samengesteld uit de partijraad en vertegenwoordigers van de afdelingen. Het bekrachtigde het verkiezingsprogramma en koos de lijsttrekker.

Na de fusie op 11 oktober 1980 was op basis van hun onderlinge krachtsverhoudingen de verdeling van de posities op kandidatenlijsten en in de partijorganen tussen de ‘bloedgroepen’ ARP, CHU en KVP en de groep rechtstreekse leden gedetailleerd vastgelegd in het ‘fusieprotocol’. Zo moest worden voorkomen dat een van de gefuseerde partijen het CDA zou domineren (waarbij dan vooral aan de KVP werd gedacht), waardoor leden van de andere partijen zich niet meer in het nieuwe CDA zouden herkennen.

 

Kieslijst uit 1977
Kieslijst 1977 met kandidaten van de bloedgroepen in vastgestelde volgorde.
              Voorkant van het 'fusieprotocol'
Het 'fusieprotocol.'